Bezwaarschrift bij een ontwerpbeschikking betreffende herbicide-resistentie

Bezwaarschrift bij een ontwerpbeschikking betreffende herbicide-resistentie

Betreft aanvraag van D.J. van der Have BV, Kapelle om een vergunning voor veldproeven met niet-bloeiende GM glufosinaat-ammonium-resistente SUIKERBIETEN in 9 provincies.
Dossier BGGO 99/05.

Opmerkingen en bezwaren bij bovengenoemde Ontwerpbeschikking betr. Herbicide-resistentie Versie Februari 1999.

Gezien de belangrijkheid van de aangevoerde punten in onderstaand bezwaarschrift, zouden wij graag commentaren ontvangen. Ons adres vindt u onderaan de brief.

English text below.


Amsterdam, 5 april 1999.

Ministerie van VROM,
Directoraat-Generaal Milieubeheer, Directie Stoffen, Veiligheid, Straling, ic 655,
T.a.v. mr drs P.J. Van der Meer,
Postbus 30945,
2500 GX DEN HAAG

Mijne Heren,

Betreft aanvraag van D.J. van der Have BV, Kapelle om een vergunning voor veldproeven met niet-bloeiende GM glufosinaat-ammonium-resistente SUIKERBIETEN in 9 provincies.
Dossier BGGO 99/05.

Opmerkingen en bezwaren bij bovengenoemde Ontwerpbeschikking betr. Herbicide-resistentie Versie Februari 1999.

Eerste opmerking

Onze eerste opmerking is, dat deze GMO nu eens geen antibioticum-resistentie gen als merker bevat. Dit is een belangrijke stap in de goede richting.

Wij suggereren daarom ook om dit feit in de titel van de beschikking (in overleg met Van der Have) te verwerken, b.v. “Suikerbiet met GLA-resitentie en een merker-systeem niet berustend op anti-bioticum-resitentie.”

Het door Van der Have gebruikte systeem (igpd gen) wordt eigenlijk niet veel genoemd, maar het is wel reeds lang bekend.

Tweede opmerking

De tweede opmerking gaat ook over merkersystemen. Wij vragen ons af, waarom het ingebrachte pat-gen niet als merker is gebruikt. Eventueel dus met zowel een prokaryotische promoter naast een eukaryotische promoter.

Derde opmerking

Deze opmerking betreft de advisering door COGEM. Voor deze Ontwerpbeschikking is uitgegaan van een advies van COGEM van 4 februari 1997 over een vrijwel identieke GGO ook van Van der Have uit 1996, BGGO 96/20, getiteld “Glufosinaat R via protoplasten”.

Het betreft dezelfde plant (suikerbiet) met dezelfde vector getransformeerd naar eerdere transformanten (TrE 8 en 9). De huidige aanvrage betreft transformant TrE 18. Bekijken we dit ADVIES, dan is er ten eerste sprake van een minderheidsstandpunt en ten tweede op het terugvallen voor het pat gen op nog oudere adviezen.

De zinsnede, dat er intussen geen nieuwe zaken aan het licht zouden zijn gekomen, die een bijstelling van het advies zouden rechtvaardigen, is geheel vrijblijvend. Uit niets blijkt, dat er een opdracht voor onderzoek is gedaan, dat deze opdracht is besproken en geëvalueerd.

Recentelijk heeft het CTB ook een aanvrage om GLA toe te laten op een genetisch gemodificeerd gewas afgewezen. Ook heeft de CTB de bestaande toelatingen van GLA verlengd tot 1 september 2000, omdat er nog een groot aantal vragen liggen, die beantwoord moeten worden.

Dit alles vinden wij helemaal niet zuiver op de graat.

Wij maken bezwaar tegen deze gang van zaken om op oude adviezen blind te varen. Het lijkt ons een kleine moeite om dit transparanter te maken, om ons bezwaar de wereld uit te helpen, door ALSNOG DE COGEM OM UPDATE VAN ADVIEZEN TE VRAGEN.

Vierde opmerking

Uit de plasmidekaart en de gevolgde transformatiemethode blijkt, dat de insertie ook een “origin of replication” kan bevatten. Beschouwingen over een eventueel risico hiervan ONTBREKEN.

Wij maken derhalve bezwaar tegen het ontbreken van risicobeschouwingen dienaangaande.

Vijfde opmerking

Het gaat hier om een glufosinaat-resistente suikerbiet. Wij krijgen dus te maken met de aanwezigheid van het eiwit (enzym) phosphinothricinacetyltransferase in de plant en dientengevolge ook met die aanwezigheid in
– bietenpulp – diervoeding – voedselketen
– melasse – diervoeding – voedselketen
– vinasse – restant na extractie van spiritus
– schuimaarde

Al deze producten zouden eventueel in het veevoeder-circuit terecht kunnen komen, resp. kunnen ook daarbuiten verwerkt worden, bijv. tot kattenbakkorrels of tot spiritus.

Een toxicologische evaluatie als veevoeder acht Van der Have niet van toepassing.

En een protocol voor de vrijwillige diervoedertoets bestaat NIET.

Wij willen er echter uitdrukkelijk op wijzen, dat Hoechst Schering (AgrEvo) lobbyed voor het inbrengen van glufosinaat-resistentie in gewassen en de gevaren van het eiwit phosphinothricinacetyltransferase probeert te bagatelliseren.

In 1987 verscheen het artikel:
Thomson, C. J. et al.
“Characterisation of the herbicide-resistance gene bar from S.hygroscopicus”
The EMBO Journal Vol. 6 no.9, pag. 2519-23.

Hierin is beschreven dat phosphinothricin-Acetyl-transferase ook glutaminezuur als substraat heeft.(Door de beide stoffen bij elkaar te voegen, en het reactie-produkt aan te tonen.)

Hoechst bestrijdt dit in een rapport (93-01):
Dr. Arno Schulz
“L-phosphinothricin N acetyltransferase
Biochemical Characterisation”

Hierin wordt glufosinaat TESAMEN met een grote overmaat glutaminezuur (en andere aminozuren) aan de werking van het acetyltransferase blootgesteld (met acetylbron).

Schulz kon GEEN reactieprodukt met glutaminezuur aantonen en concludeerde toen maar, dat glutaminezuur geen substraat zou zijn.

DIT IS ONJUIST EN ZEER MISLEIDEND omdat

  • in situaties waarin het acetyltransferase (aanwezig in de gemodificeerde plant) toxisch zou kunnen werken, zoals in ons maagdarmkanaal, de gelijktijdige aanwezigheid van grote hoeveelheden glufosinaat niet bestaat (zie Thomson). Ongelofelijk!
  • het onder de proefomstandigheden van Schulz logisch is, dat het acetyltransferase het glufosinaat gaat acetyleren met gebruikmaking van niet alleen de bijgevoegde acetylbron, maar ook met gebruikmaking van geacetyleerd glutaminezuur als acetylbron (omdat affiniteit van het transferase voor glufosinaat groter is).
    In een MENGSEL zal alleen een reaktieprodukt gevormd worden met het substraat waarvoor de meeste affiniteit bestaat.EEN ZEER MISLEIDEND RAPPORT.

Wij maken bezwaar tegen het ontwikkelen van een GMO waarin dit gen-produkt voorkomt.

Zesde opmerking.

Het herbicide-resitentie-gen wordt ingebracht als een cassette met de bloemkoolmozaikvirus promoter en terminator.

De aanwezigheid en vooral de MASSALE AANWEZIGHEID van deze (krachtige) promoter en terminator is ongewenst, omdat:

Bestaande virussen (met hun eigen promoter-terminator-cassette) nu meer de kans krijgen om door recombinatie hetzij hun gastheerbereik te vergroten, hetzij hun virulentie te vergroten.

Wij maken bezwaar tegen het ontbreken van een risico-beoordeling van dit onderdeel van de insertie.

Zevende opmerking.

In de ontwerpbeschikking is de beoordeling van de toxicologie van het herbicide, waarvoor de resistentie is ingebouwd, overgeheveld naar het CTB. Voor een GMO-toelating zouden ze niet relevant zijn.

Nu is het zo, inderdaad, dat de CTB een vinger in de pap heeft. Onlangs verbood zij zelfs het gebruik van glufosinaat-ammonium op een GMO (mais) welke hiervoor resistentie bezat.

Wat zal Van der Have hebben aan een suikerbiet met glufosinaat-resistentie die ditzelfde lot ten deel valt? Om het herbicide gebruik buiten beschouwing is struisvogelpolitiek of gemakzucht.

De Scientific Committee on Plants beoordeelt GMO’s ook inclusief het gebruik van herbiciden op de plant; zie hiervoor haar Guideline:

Guidance Document To Facilitate Notifiers In The Preparation Of Plant GMO Dossiers For Consideration By The Scientific Committee On Plants SCP/GMO/103-Final http://www.biotechknowledge.com/showlib.php3?1007

KERNPUNT daarbij is, dat de GMO een herbicide anders kan metaboliseren als een niet-gemodificeerde plant, en dat er andere residuen te verwachten zijn.

Het advies van SCP om een GGO toe te laten is dus MET INBEGRIP van het herbicide gebruik. (Dat herbicidegebruik kan ieder herbicide zijn, niet alleen speciaal het herbicide waarvoor resistentie is ingebouwd).

In geval van onze suikerbiet zal de resistentie er toe leiden, dat:

  • A. Er in het gehele groeiseizoen tegen onkruid kan worden gespoten, en de plant VOORTDUREND METABOLIETEN kan opstapelen, en niet alleen slechts op het einde van het groeiseizoen (om het SUIKERGEHALTE in de biet te verhogen – zie patent);
  • B. Er een nieuwe metaboliet (het geacetyleerde GLA) ontstaat, waaruit het GLA bij VERTERING weer VRIJKOMT.

Zowel A als B leiden ertoe, dat de toxicologie van GLA ook bij de beoordeling van het GMO zelf in het geding is, en dit niet alleen een zaak is van het CTB betr. het bestrijdingsmiddel.

Wij maken bezwaar tegen het ontwikkelen van een GMO met GLA resistentie, waarbij niet uitvoerig is ingegaan op de risico’s van GLA-toepassing.

Tenslotte geven wij hierbij een aantal punten, waarvan wij vinden, dat GLA en GLA-RESISTENTIE KWALIJKE ZAKEN zijn, welke ten onrechte als heel onschuldig worden voorgesteld.

1. Het zou niet teratogeen zijn volgens Hoechst:

E. Ebert et at.: Summery of safety Evaluation toxicity studies of Glufosinate ammonium. 1989/1990.

Afwijkingen gevonden bij het nageslacht van konijnen werden door Hoechst onder de tafel geveegd als zijnde een gevolg van de “maternal toxicity”!!

De toxiciteit op het moederdier zou haar verhinderen gezond nageslacht te krijgen! Wij vinden dit een vies spelletje met woorden.

Wij leggen daarnaast de onderzoekgegevens van Tomoko Fujii et at. 1996
“Alterations in the Response to Kainic Acid in Rats Exposed to Glufosinate Ammonium, a Herbicide, during Infantile Period” Studie gesponsored door het Japanse Ministry of Education, Science, Sports and Culture. Exposure to GLA, even in low doses (1 mg/kg) during Infantile Period in the rat, induces alterations in the kainic receptor in the brain.

T. Watanabe. 1996
“Apoptose induced by GLA in the neuroepithelium of developing mouse embryos in culture. Geprogrammeerde celdood door afscheiding van stoffen, welke de cel inwendig vernietigen; deze zelfmoord wordt gereguleerd door een zelfmoordgen, dat kennelijk door GLA wordt aangeklikt.

T. Watanabe et al. 1997.
“Developmental and Dysmorphogenic Effects of GLA in mouse Embryos in culture”. Misvormingen.

2. Het zou niet sensibiliserend zijn.

Het tegendeel van “Non-sensitizing properties”van GLA heb ik (Eijsten) aan den lijve ondervonden. Hierover heb ik reeds eerder melding gedaan. In 1992 werd ik gesensibiliseerd (iemand van de plantsoenendienst ging door met het bespuiten van grasranden in een park met Finale SL 14, terwijl ik daar op een bank zat te lezen – met mijn hond. Ogenschijnlijk niets aan de hand. Het jaar daarop echter liep ik met hond langs grasranden, die kort tevoren bespoten waren met dit herbicide en prompt 7 uren later zaten mijn benen vol eczeem. Volgende dag liep ik dezelfde route, maar nu met mouwloze blouse, en prompt waren ook mijn armen en gezicht vol eczeem. (Ook mijn hond had rode vlekken op zijn buik).

Hierover heb ik reeds vele malen verslag gedaan. Het ernstige is echter, dat men probeert deze feiten onder tafel te schuiven, b.v. met het argument van voedselallergie. (Brief van VWS, Hr. Top/ Mevr. Terpstra van 10 juni 1996).Een zeer wetenschappelijke mededeling. Op de ingestuurde foto was duidelijk te zien dat het eczeem voorkwam op onbeschermde lichaamsdelen! Ook was er op de rug van mijn handen geen eczeem -logischerwijze door handenwassen na het contact.

Onderzoek bij de dermatoloog bestond uit testen met patches met vasaline waarin het herbicide was aangebracht. Dus een hydrofiele stof werd getest met een hydrofobe stof. Logisch dat er geen effect na de test te zien was. Tot driemaal toe heeft de dermatoloog op dezelfde wijze getest, ondanks mijn verzoek te testen met een hydrofiele stof, b.v. Lanoline of puur op de huid.

Zijn argument was:”Ik doe het altijd zo”, hiermede zijn incompetentie uitende. Voordien had hij mij meegedeeld, dat hij dit herbicide niet kende, en mij verzocht dit herbicide mee te brengen. Dit was vreemd, daar Finale al zo’n 20 jaar gebruikt werd. Dat was ook de reden, dat ik diverse literatuur verzamelde over Finale en een Amerikaans boek liet zien waarin methoden stonden vermeld om sensibilisatie aan te tonen.

In de EU LEGISLATION worden vele methoden voorgeschreven om sensibilisatie aan te tonen. Ik vraag mij steeds af, wat de reden was dat hij geen andere test wilde doen. Ik vind dit allemaal zeer laakbaar.

Als dermatologen in Nederland allen zo handelen als “mijn dermatoloog”, dan worden er nooit gevallen van eczeem tengevolge van GLA aangetoond!

Wat is de reden om de juiste tests niet te doen?

Wij zijn de mening toegedaan, dat alles geprobeerd wordt om de schadelijke werking van GLA te verdoezelen. In het jaarverslag van Consument en Biotechnologie 1996/1997 werd vermeld, dat het rapport van Fujji uit 1996 aangaf dat hersenbeschadiging werd aangetoond met grote doses. Terwijl ik notabene op verzoek van C & B het bewuste rapport van Fujii uit 1996 aan hen had gestuurd. Dit rapport ging er juist om, dat met zéér kleine doses werd gewerkt (1 mg/kg). Op mijn klacht beloofde men mij een en ander te zullen corrigeren. Onlangs deelde men mij mede., dat er niets zal worden gecorrigeerd. Zonder motief waarom. Deze verdraaiing van de waarheid is een voorbeeld van foutief lobbyen.

Wij vinden het noodzakelijk het vorenstaande over sensibilisatie nogmaals mee te delen, in het kader van de gevaren die er bestaan bij spuiten van herbiciden en door de drift bij het telen van-kleinschalig of grootschalig-herbicide-resistente gewassen. Wet van Murphy.

Met de meeste hoogachting,

J. van der Meulen, L. Eijsten.

P.S.: wij zijn altijd bereid aangehaalde literatuur op Uw verzoek op te zenden.


Objection to a draft decision on herbicide resistance by J. van der Meulen, L. Eijsten FRAGMENT

GLA and glyphosate.

In 1987, the following article was published: Thomson, C. J. et al., ‘Characterisation of the herbicide-resistance gene bar from S.hygroscopicus’, EMBO Journal Vol. 6 No 9, pages 2519-23. It described how phosphinothricin-acetyltransferase also has glutamic acid as a substrate, by mixing the two substances and demonstrating the reaction product. Hoechst contested this in a report (93-01) by Dr Arno Schulz: ‘L-phosphinothricin N acetyltransferase biochemical characterisation’. Glufosinate had been exposed, TOGETHER with a seriously excessive amount of glutamic acid (and other amino acids) to the effects of the acetyltransferase. Schulz had been unable to demonstrate ANY reaction product with glutamic acid and thus concluded that glutamic acid was not a substrate.

THIS IS INCORRECT AND HIGHLY MISLEADING because • in situations in which the acetyltransferase (present in the modified plant) could have a toxic effect, as in our gastrointestinal tract, large quantities of glufosinate are not simultaneously present (see Thomson). Unbelievable! • it is only logical that, under Schulz’s test conditions, the acetyltransferase would acetylate the glufosinate using not only the added acetyl source but also acetylated glutamine acid as an acetyl source (because the transferase has a higher affinity for glufosinate). In a MIXTURE a reaction product will be produced only with the substrate for which it has the highest affinity.

A VERY MISLEADING REPORT. We object to the development of a GMO containing this gene product.

1. According to Hoechst, it is not teratogenic. E. Ebert et al.: ‘Summary of safety evaluation toxicity studies of glufosinate ammonium’, 1989/1990. Defects found in rabbit progeny were brushed under the carpet by Hoechst, which claimed that they were the result of ‘maternal toxicity’!! The toxic effect on the mother was claimed to prevent her giving birth to healthy progeny.

We believe they are playing fast and loose with the words they use. We would put forward instead the research data of Tomoko Fujii et al., from 1996: ‘Alterations in the Response to Kainic Acid in Rats Exposed to Glufosinate Ammonium, a Herbicide, during Infantile Period’, a study sponsored by the Japanese Ministry of Education, Science, Sports and Culture. ‘Exposure to GLA, even in low doses (1 mg/kg) during Infantile Period in the rat, induces alterations in the kainic receptor in the brain’. T. Watanabe, 1996: ‘Apoptose induced by GLA in the neuroepithelium of developing mouse embryos in culture’. Programmed cell death as a result of the secretion of substances which destroy the cell from within; this ‘suicide’ is regulated by a suicide gene which appears to be activated by GLA. T. Watanabe et al., 1997: ‘Developmental and dysmorphogenic effects of GLA in mouse embryos in culture’.

Deformities.

2. It is not considered to be sensitising.

Ms L. Eijsten discovered for herself the exact opposite of GLA’s ‘non-sensitising properties’, something she has reported previously. In 1992, she – and her dog – became sensitised: a parks department employee carried on spraying the edges of the grass in a park, where she was sitting reading on a bench, with Finale SL 14. Nothing apparently amiss.

However, a year later she was walking her dog by grass which had shortly before been sprayed with the same herbicide and promptly, seven hours later, her legs were covered in eczema. She walked the same route the next day, this time in a sleeveless blouse, and within no time her arms and face were also covered in eczema (the dog too had red patches on its stomach).

She has reported on this many times already. The serious thing is, however, that every attempt is made to brush these facts under the carpet, arguing that her symptoms were caused by a food allergy (letter of 10 June 1996 from Mr Top / Ms Terpstra at the Netherlands Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS); a very scientific communication.

The photograph sent showed clearly that the eczema was on unprotected parts of Ms Eijsten’s body. And there was no eczema on the back of her hands – logically, because she had washed her hands after the contact. A dermatologist carried out tests involving patches with Vaseline to which the herbicide had been added.

This meant that a hydrophilic substances was being tested using a hydrophobic substance. It was logical that no effect should be visible after the test. The dermatologist carried out tests in the same way three times, despite Ms Eijsten’s request that a hydrophilic substances, such as lanolin, be used, or that the herbicide be tested on her skin by itself.

His argument was that he always worked that way, thus making his incompetence clear. He had previously told her that he did not know the herbicide in question and had asked her to bring some with her. That was strange, because Finale had already been in use for some 20 years.

This was also why she collected various articles about Finale and showed the dermatologist an American book describing methods for demonstrating sensitisation. EU LEGISLATION prescribes many methods for demonstrating sensitisation. Ms Eijsten constantly wondered why the dermatologist did not want to carry out any different tests. She found this all very improper. If all dermatologists in the Netherlands took the same approach as ‘her dermatologist’, no cases of eczema resulting from GLA would ever be found!

Why should the correct tests not be done? We believe that everything possible is being done to cover up the harmful effects of GLA. The annual report of the organisation Consument en Biotechnologie for 1996/1997 reported that Fujii’s 1996 report stated that high doses had been found to cause brain damage.

And it should be noted that it was Ms Eijsten who sent the report in question to Consument en Biotechnologie, at their request. The report concerned precisely the fact that the work had been done using very small doses (1 mg/kg). When she complained, they promised to correct the errors.

Recently she was informed that no correction is to be made. No reason was given. This twisting of the truth is an example of false lobbying. We believe that the above information on sensitisation has to be communicated once again, against the background of the dangers which arise when herbicides are sprayed and as a result of drift when herbicideresistant crops are cultivated, be it on a large or a small scale. Murphy’s law.

Extract from: Objection to a draft decision on herbicide resistance by J. van der Meulen, L. Eijsten


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.


 

Comentaar op visie LTO-Nederland op het gebruik van biotechnologie in de agrarische sector en de voedingsindustrie

== Artikel ==

Comentaar op visie LTO-Nederland op het gebruik van biotechnologie in de agrarische sector en de voedingsindustrie. 01-12-1998

== Auteur(s) ==
* Eijsten, Lily
* Meulen van der, J (Han)

== Volledige tekst ==

Commentaar op visie LTO Nederland op het gebruik van biotechnologie in de agrarische sector en de voedingsindustrie.
——
Algemeen: Het stuk kan onmogelijk uit de mond en het hart van een agrarier komen, maar verwoordt het standpunt van een industriëel, die overigens elke verantwoording en aansprakelijkheid voor de gevolgen bij de toepassing van zijn produkten van tevoren afwijst.

Het ademt een ontoelaatbare vooringenomenheid uit (b.v. blz.6: Voorlichtingsinstituut).
——-
Dat ”’moderne”’ biotechnologie een bijdrage zou kunnen leveren aan een milieu-vriendelijker land- en tuinbouw is gezwets, napraten van perceptie-managers welke deze Biotech promoten.

Het idee, dat moderne biotechnologie tot produktie-verhoging leidt is absurd.

De produktie is gerelateerd aan de benutting van de ingestraalde zonne-energie (50Watt per m2) en het benutten van arbeid en kapitaal-input.

Je kunt nooit meer dan de ingestraalde 50 Watt/m2 terugwinnen. Dit begrenst het mogelijke.

Met ”’moderne”’ biotechnologie kan door een andere inzet van kapitaal en arbeid misschien hooguit dezelfde opbrengst worden bereikt als bij traditionele teelt-waarbij men het onderste uit de kan heeft gehaald. Die andere inzet van kapitaal en arbeid levert misschien voor bepaalde instanties (multinationals) voordeel op, maar is geen produktie-verhoging. Dat laatste is gezwets.

Op het idee, dat produktie-toename mogelijk is door b.v. droogteresistentie in een gewas als rijst te manipuleren, zodat deze net als tarwe kan worden verbouwd op drogere grond is onzin. Je moet daar gewoon tarwe verbouwen!

We refereren hier aan de tarwe-importen als voedselhulp aan hongerend India. Aanvankelljk weigerden de rijst-eters tarwe te eten, maar nu bedruipt India – met tweemaal zoveel inwoners – zichzelf door grootschalig tarwe te verbouwen.

Bij herbicide-resistentie wordt voorbijgegaan aan het feit, dat deze resistentie een poort is voor het insluizen van herbicide-residuen in de voedselketen en dus
VOLSTREKT ONACCEPTABEL is, wegens aantasting van het zenuwstelsel door glufosinaat (o.a. misvormingen) en aantasting van de voortplanting door vermindering van de spermakwaliteit door glyfosaat.


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

Wat is er mis met gemodificeerde mais?

== Aantekening ==

Aantekening uit archief TSS, ongedateerd, vermoedelijk circa 1998.

== Omschrijving ==

De genetisch gemanipuleerde mais van Novartis(Ciba Geigy) welke eerst door de Europese Unie was toegelaten, maar waartegen Oostenrijk nu bezwaar maakt op GEZONDHEIDSGRONDEN en waartegen later ook het Europese Parlement fulmineerde, wat is daar nou concreet mis mee?

== Auteur(s) ==
* Eijsten, Lily
* Meulen van der, J (Han)

== Volledige tekst ==

WAT IS ER MIS MET GEMODIFICEERDE MAIS ???

De genetisch gemanipuleerde mais van Novartis (Ciba Geigy) welke eerst door de Europese Unie was toegelaten, maar waartegen Oostenrijk nu bezwaar maakt op GEZONDHEIDSGRONDEN en waartegen later ook het Europese Parlement fulmineerde, wat is daar nou concreet mis mee?

Deze mais bevat maar liefst 3 extra erin gemanipuleerde genen (en wordt spottend SUPERMAIS genoemd in de pers). Er zijn dus 9 mogelijke knelpunten waarop we onze kritische aandacht kunnen richten, namelijk voor ieder gen
* 1ste het gen zelf
* 2de het door het gen geproduceerde eiwit
* 3de de metabolieten ontstaan tengevolge van het geproduceerde eiwit.

Door de toelating te beperken tot gebruik als VEEVOER {en industrieel gebruik) vervallen een aantal knelpunten (zoals allergeniciteit), maar blijven er twee belangrijke over:
* 1. De aanwezigheid van het ampicilline-resistentiegen zelf. Het gebruik van ampicilline in de geneeskunde wordt in de waagschaal gezet;
* 2. De aanwezigheid van [[glufosinaat]]-ammonium-residuen en metabolieten, WELKE IN DE MENSELIJKE VOEDSELKETEN TERECHTKOMEN. Zelfs ook wanneer geen glufosinaat-ammonium is gebruikt, zal door de plant in het milieu zwevende residuen worden opgenomen en omgezet in acetylfosfinotricine, hetwelk in de plant wordt opgeslagen.

Uit deze metaboliet wordt in het maagdarmkanaal van vogels en zoogdieren het giftige glufosinaat teruggevormd. Dit komt zo via vlees, ei en MELK in de menselijke voedselketen.

In december 1996 werd deze mais toegelaten. In januari 1997 verscheen een horrorverhaal: het onderzoeksrapport van Toshiaki Watanabe, Japan; Glufosinaat blijkt bij embryos het apoptose-gen aan te schakelen in de zich ontwikkelende hersens en daar een neurale celdood te veroorzaken.

En die met glufosinaat verontreinigde melk mag dan voor babyvoeding worden ingezet? drinken zwangere vrouwen het? of komt er een etiket op:”ongeschikt voor zwangere vrouwen en baby’s”??

”’Opmerking”’: Die mais zal in Amerika zeker gedeeltelijk met glufosinaat ammonium zijn bespoten, of GLA werd toegepast op de boden vòòr de inzaai.


== Zie ook ==


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

 

Maisgluten, vragen bij gedogen van GMO maisgluten

== Aantekening ==

Titel: Vragen bij gedogen van GMO maisgluten

Datum: 1998-03-11, Archief TSS

== Auteur(s) ==

  • Eijsten, Lily
  • Meulen van der, J (Han)

= Volledige tekst ==

AMSTERDAM, 11 maart 1998

=== Vragen bij het gedogen van GMO maisgluten.===

In het Agrarisch Dagblad en Trouw van 15 januari jl. verschenen hierover (over het gedogen door NZO van maisgluten voorlopig voor 1 jaar) twee berichten.
Uit deze berichten blijkt, dat het gaat om DRIE soorten maisgluten van de inmiddels zeven soorten mais, welke in de VS van APHIS de ”’non-regulated”’ status hebben verworven, en ALLE ZEVEN in een bulk maiscommodity terechtkomen voor export.

De drie soorten hebben in Amerika inmiddels ook een fiat gekregen om als veevoer te dienen, op grond van ”’dossiers, door de ontwikkelaars van deze rassen aan de overheid overlegd”’.

Dezelfde dossiers zijn ook in Nederland bij het RIKILT in Wageningen terechtgekomen, en het Ministerie van Zandbouw bevestigde desgevraagd, dat zij geen reden zag om aan de veiligheid te twijfelen. Het rapport van Rikilt moet echter nog verschijnen.

Eigen en onafhankelijk onderzoek en voederproeven zijn er echter niet bij.

=== Vraag 1 ===

Vraag 1: Moeten we hier nu spreken van “het verkopen van de huid van de beer voordat deze is geschoten”, of van het “stellen van een fait accompli”?

Nu is in Europe slechts één GMO-mais, die Novartis-mais, toegelaten, maar b.v. Oostenrijk wil zich hieraan niet conformeren. Over twee andere GMO-maissoorten wordt in Brussel gedelibereerd. (Mais van Northrup King en mais van Pioneer-Hibred).

De toelating betreft het GMO zelf en delen daarvan, ”’waarbij het niet ter zake doet of het GMO leeft of dood is”’, zoals abusievelijk in de berichten wordt gesuggereerd “het gaat om dood materiaal”.

Een van de meest succesvolle GMO-mais in Amerika is de maishybride van Agrevo.

=== Vraag 2 ===

Vraag 2: Om welke maissoorten gaat het nu eigenlijk. Welke zijn de genetische modificaties bij die verschillende maizen eigenlijk?

Wij noemen er een paar:
* “ampicilline”-resistentie-gen, dat een betalactamase produceert, dat een groot aantal penicillinen inactiveert;
* “kanamycine”-resistentie-gen, dat een phosphotransferase produceert, dat een groot aantal aminoglycoside antibiotica inactiveert;
* een gen voor de oxydatie van Glyfosaat;
* een gen, dat Bacterieel ESPS voor eiwit-synthese introduceert, dat ongevoelig is voor glyfosaat;
* een gen, dat een acetyltransferase produceert, dat Glufosinaat inactiveert;
* een gen, dat een endotoxin produceert, waarvan sommige insecten sterven;
* enz. enz.

Zijn er misschien zelfs risico’s door het mengen van de produkten?

Hebben we werkelijk voldoende inzicht om al die risico’s te beoordelen?

Gaan we geen precedent scheppen voor volgende mais?

In de berichten wordt gesproken over maisgluten, waarbij de stellige indruk gevestigd wordt, dat het gluten betreft van bepaalde ongemengde maisgluten in Amerika verwerkt.

=== Vraag 3 ===

Vraag 3: Het gemengd aanvoeren van GMO—mais met traditionele mais is dat echt noodzakelijk voor de kostenbeheersing? Of is het een manier om de GMO—mais door onze strot te drukken zoals bij het mesten van ganzen voor paté de foie gras.

=== Vraag 4 ===

Vraag 4,: Waarom zitten er in de informatie, welke verstrekt wordt zoveel onzekerheden, welke tot gissingen en misverstanden leiden?


== Zie ook ==


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

Maisgluten

Omschrijving ==

Artikel, aantekeningen met betrekking Maisgluten.

== Auteur(s) ==

  • Eijsten, Lily
  • Meulen van der, J (Han)

== Volledige tekst Maisgluten ==

AMSTERDAM, 1.1.98

Maisgluten is een afvalprodukt bij de industriële verwerking van mais, waarvoor emplooi wordt gezocht. In principe hoort het bij het vuilnis.

SCHEMA
Mais wordt gesplitst in maiskiem en korrel. Uit de kiem wordt olie ”’geperst”’; het restant van de persing is veevoer, perskoek (hoogwaardig).

De korrel wordt ”’vermalen”’, de ”’temperatuur”’ kan hierbij matig oplopen. Dr zetmeelkorrels worden ”’mechanisch”’ gescheiden van de eiwit-bestanddelen (de gluten) en leveren maizena.

De SUGGESTIE van zeer hoge temperatuur en totale degradatie is ONZIN; laten we niet vergeten, dat we ”’zetmeel”’ gaan isoleren, dat reeds bij een geringe temperatuursverhoging VERSTIJFELT.

Het zetmeelstof wordt in een wervelende luchtstroom centrifugaal van de gluten gescheiden. Zo’n machine heet in het Duits: WINDSICHTER.

Het eiwit-bestanddeel – de gluten – is afval. Gluten is een LAAGWAARDIG eiwit. De aminozuursamenstelling is verre van optimaal. Uitsluitend voederen met gluten kan GEBREKSZIEKTEN geven (zoals trage groei).

* maiszaad
** maiskorrel
*** maizenna
*** gulten
** maiskiem
*** maisolie (kode persing)
*** maiskoek
**** maïssolie 2e kwaliteit
**** veekoek

”’De eiwitten in de gluten zijn allergeen”’

De gluten bestaan niet alleen uit zuiver eiwit, maar bevatten ook vrijgelegde resten van DNA (Deoxyribo NucleicAcid) gedeeltelijk intact, gedeeltelijk overgegaan van een dubbele spiraal in twee enkele spiralen, en in ”’deze vrije vorm buitengewoon geschikt voor Horizontale gen Transfer”’ naar competente bacterien (Natural Transformation).

Bij Novartis maisgluten dus:

* Ampicilline resistentie gen (bacteriëel)
* Een endotoxin producerend gen voor de bestrijding van bepaalde vlinders (bacteriëel)
* Een herbicide resistentie gen voor glufosinaat-ammonium (syntetisch)

Bacteriën bevatten DNAases, enzymen, welke DNA verteren. Vraag: Hoe komt het nou, dat de bacterie zijn eigen DNA niet opvreet? Antwoord: De bacterie DNAase kan het eigen DNA herkennen en doet er niets mee.
Vreemd DNA dat de bacterie op zijn weg ontmoet kan ook herkend worden als bacterieel en misschien bruikbaar, en dit wordt dan misschien in het eigen genoom geïncorporeerd.

Uit het feit, dat Ampicilline-resistentie algemeen als achtergrond in de bacterie-populatie aanwezig is mogen we NIET concluderen, dat een eventuele horizontale gen-overdracht op de getalsverhoudingen NIET van invloed is.

”’Juist”’ doordat die achtergrond bestaat, zal er hurry-up gentransfer plaatsvinden, en zal de getalsverhouding wel degelijk beinvloed worden. De bacteriën herkennen hun “eigen” DNA.

Wanneer – nu aan het VEEVOER Ampicilline NAAST de gluten wordt toegevoegd, dan heb je de poppen helemaal aan het dansen door het SELECTIE-MECHANISME.
Naast de genen, DNA-resten in de gluten, bevatten de gluten nog de door de genen geproduceerde eiwitten.

In de NOVARTIS-mais-gluten dus TWEE, t.w.
* 1e, het endotoxin tegen vlinders
* 2e. het acetyltransferase tegen glufosinaat-ammonium (+/- 0,1 % van de gluten-massa).
Het Betalactamase van het Ampicilline-resistentie-gen is ”’afwezig”’. (Betalactamase is het gen-produkt van het Amp.-res.-gen).

Bovendien bevat de gluten eventueel de residuen van toegepaste bestrijdingsmiddelen.

Bij Novartis-gluten mogen we dus een verhoogd gehalte glufosinaat-ammonium-residu verwachten. (Wanneer GLA werd toegepast – hetgeen hèlemaal niet zeker is).

Bij andere gluten dan “Novartis” zijn er natuurlijk andere problemen.
De belangrijkste zijn:
* – Andere residuen, b.v. nu glyphosaat, en dan wel degelijk glyphosaat in grote massa bij glyphosaatresistente mais;
* – Andere antibiotica-resistentie-genen, zoals Kanamycine-resistentie, welke geen Betalactamases zijn tegen penicillinen, zoals Ampicilline, maar phosphotransferasen tegen Aminoglycosiden;
* – Wel degelijk antibiotica-resistentie-gen-”’product”’ aanwezig; dan wordt toegevoegd antibioticum geinactiveerd-, naast de selectie bij horizontaal gen-transfer, en wordt de duur betaalde toevoeging van antibiotica aan veevoer ”’totaal weggegooid geld”’.

Wees voorzichtig met Amerikaans gluten – je weet niet wat je koopt.

Koop ook geen afval wat een ander kwijt wil.

Eis GLUTENVRIJ VEEVOER.
(Net zoals atopic patiënten in de supermarkt dingen kopen met het etiket “glutenvrij”).

Betaal NIET VOOR GLUTEN, maar eis een ”’Glutenverwijderingspremie”’.

 

== Zie ook ==


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

Voedselveiligheid, Een Indianen verhaal

== Aantekening ==

Aantekening met betrekking belang verplichte etikettering voor voedselveiligheid.
Uit archief TSS (datum: ongedateerd, vermoedelijk rondom 1998))

== Auteur(s) ==
* Eijsten, Lily
* Meulen van der, J (Han)

== Volledige tekst ==

Een Indianenverhaal, ”’Voedselveiligheid”’

Belang etiketteringsplicht voor:

Voedsel, dat uit GGO’s (genetisch gemanipuleerde organismen) bestaat, GGO’s bevat, delen daarvan bevat, of analyseerbare resten.

Wat is het belang van etikettering voor de consument, waarom moet hij letten op het cruciale zinnetje, resp. woorden:
“met moderne biotechnologie”
dat aangeeft, dat er iets bijzonders aan de hand is.

”’Antwoord”’:

Hoewel de producenten “beweren” dat het product veilig is en zij risico-analyses aan de overheid hebben overlegd, lopen de consumenten toch altijd risico’s. Denk hierbij aan het Softenonschandaal, aan het DES-schandaal, want het zijn NIEUWE, ONBEPROEFDE ZAKEN, niet traditioneel, die GGO’s.

Wat zijn nu die risico’s, welke volgens de producenten verwaarloosbaar zijn. We gaan nu achtereenvolgens een aantal risico’s na. De consument moet ZELF beslissen of hij die risico’s wil lopen. De producent, begerig op niet te verwaarlozen winst, zegt: “Doe maar, niks aan de hand”. De overheid, aan handen en voeten gebonden, accepteert de mededelingen van de producenten (blindelings?) maar geeft de consument de keuze, zonder dat de consument de schadelijke effecten op de gezondheid kent (o.a. hersenbeschadiging), en berooft zo de consument van het recht op latere schadeclaims!

TEN EERSTE kan het product nog DNA-resten bevatten, coderend voor de genetische modificatie. Wanneer het product gepasteuriseerd is, hoeven we daarvoor niet bang te zijn (verhit boven 65 graden)
Ook wanneer het DNA codeert voor onschuldige stofwisselingsomzettingen is er misschien niets aan de hand.
Minder onschuldig is de volgende mogelijkheid dat door HORIZONTALE GENENTRANSFER, van b.v. resistentie tegen een antibioticum, of van transposon of een intron het milieu wordt verpest, of wij als consument kanker krijgen.

Het argument, dat het nieuwe DNA-stukje verdrinkt in de miljarden stukjes traditioneel DNA waarmee we geen moeite hebben, gaat niet op, omdat we millioenen jaren de tijd hebben gehad, om met het traditionele te leren leven, en dat het leren leven met nieuw DNA wel eens een dure les kan zijn.

Dat wij met het traditionele DNA GEEN moeite hebben, is overigens een onbewezen veronderstelling: het onderzoek is te jong en er worden in snel tempo nieuwe inzichten verworven.
Het zou b.v. best eens kunnen zijn, dat een deel van de kankers zijn bron vindt in Horizontal Transfer van vreemd DNA, maar toon zoiets maar eens aan, of liever: toon de onmogelijkheid daarvan eens aan – zover zijn we nog niet.

Dat er Horizontale genen-transfer naar het menselijke genoom is, WORDT OVERIGENS WEL AANGETOOND in experimenten (vaccinatie met een deel van een virus, het hepatitis B-virus).

Het argument, dat DNA snel en kwantitatief degradeert blijkt aantoonbaar wetenschappelijk onhoudbaar! (Doerfler).
Aanwezig nieuw DNA kan met DNA fingerprinting worden aangetoond, zoals bekend (Southern Blot Analysis). Lukt dit niet, dan is voor het product geen etiket nodig.

TEN TWEEDE kan het geetiketteerd product een enzym of een ander eiwit bevatten geproduceerd door het gemodificeerde DNA. Dit is aantoonbaar met enzym-technologie of immuum technologie.
Nu hebben we traditioneel te maken met een plethora (grote hoeveelheid) van enzymen en eiwitten.
Niettegenstaande een beweerde snelle inactivatie kennen we traditioneel bijv.
* 1. de effecten van lectines (enzymen welke verteringssappen inactiveren);
* 2. allergene effecten van bijv. koemelk, soja, pinda-eiwitten, paranoten;
*3. tenminste één geval van allergeniciteit bij GMM is aangetoond (in soja ingebouwd een gen om de eiwitkwaliteit te verbeteren; het gen was afkomstig uit de paranoot).

Dat de producenten proeven hebben gedaan is duidelijk. Maar wat te denken van de risico’s voor bepaalde groepen, zoals bay’s, mensen met een ontstoken darm, ziekte van Crohn, enz? De tijd zal nog wel wat boven water brengen.

Het is mogelijk, dat de enzymen en eiwitten bij het productieproces zijn geinactiveerd, bijv. door een warmtebehandeling of door een PH-verandering van het product b.v. vergisting (inkuilen) of door een rijping (zuurkool), worst, kaas, bier, wijn). Maar misschien kan zo ook allergeniciteit worden geintroduceerd.

Het belang van het etiket ligt in het feit, dat met behulp van het etiket allergisch geworden mensen met voedselallergie hun allergie kunnen traceren!

TEN DERDE kan, wanneer de genetische modificatie een resistentie betrof, het product en de metaboliet van de stof waartegen resistentie was ingebracht en/of die stof zelf bevatten (residu).
Er zijn natuurlijk grenzen aan het analytisch vermogen van de techniek; er zijn ook grenzen gesteld aan de bij analyse nog toelaatbaar geachte hoeveelheden, de NORMERING.

Maar: mag de consument erop vertrouwen, dat alle “foute” parijen geanalyseerd zijn? Dat de normering echt voor eeuwig en altijd correct was (denk aan Softenon en DES), EN DAT ER ECHT NOOIT IETS OVER HET HOOFD IS GEZIEN?

Heel in het bijzonder hebben we bij de twee herbicide-resistente gewassen:
* glufosinaat-resistente mais van Novartis (Ciba Geigy)
* glyfosaat-resistente soja van Monsanto
Welke zijn toegelaten en nu geëtiketterd worden, te maken met de volgende NARE ZAKEN (NACHTMERRIES):

* 1. De glufosinaat-resistentie mais kan grote hoeveelheden van een adduct van glufosinaat, het acetylfosfinotricine, bevatten. Uit dit adduct komt in onze darm (en in die van andere zoogdieren (rat, geit) en vogels (kip) weer glufosinaat vrij. Glufosinaat bewerkstelligt bij embryo’s neurale celdood (apoptosis) en bij zeer jong zoogdieren hersenbeschadiging door verandering van de glutamine-receptoren!

Deze onlangs gevonden effecten zijn nog niet verwerkt in de normering en de toelating van het herbicide!

Eerder gevonden teratogene effecten in deze richting worden namelijk toegeschreven aan de algemene giftigheid van de glufosinaat op het moederdier!

Ons insziens moet voor consumptie van deze mais uit Amerika (Novartis) door zwangere vrouwen en baby’s gewaarschuwd worden. Zo ook voor de volgproducten in de voedselketen zoals b.v. melk, vlees, van vee, dat met deze mais gevoederd wordt.
(Bovengenoemde effecten zijn – nog – niet in een normering volgens de bestrijdingsmiddelenwet verwerkt).

* 2 Ook in de glyfosaat-resistente soja zit het residu glyfosaat als adduct, een eiwit adduct. De normering is 20 mg per kg import-sojaboon. In het darmkanaal komt ook hier het herbicide weer vrij.

Hier kunnen we te maken krijgen met een andere HORROR-story

Glyfosaat blijkt de interne hormoonbalans te verstoren, zodanig dat de spermagenese in het gedrang komt.
Daarnaast is het zodanig cytotoxisch, dat onafhankelijk van de spermagenese het sperma zelf wordt aangetast.

Resultaat: geringere aantallen spermatozoën, misvormde spermatozoën, minder beweeglijke spermatozoën.

Verder zijn de volgende zaken bekend:
** 1. Loonspuiters en andere toepassers (boeren, tuinders) van herbiciden lijden vaak aan de onmogelijkheid een kind te verwekken, en gaan naar de dokter;
** 2. Vrouwen van fruittelers (waar glyfosaat uitgebreid wordt toegepast) hebben — statistisch — duidelijk moeite met zwanger worden.
** 3. De invloed van glyfosaat op menselijk sperma is vitro is bewezen.

Lust U nog soja-peultjes?

U moet dit indianenverhaal zien tegen de achtergrond van de niet-verboden verkoop – althans in ons land – van alcohol (alweer met accijns) en het gedogen van drugs LEVE DE KEUZEVRIJHEID!!

Als consument moet je de conclusie trekken, dat het loont om de etiketten te lezen, en BEWUST TE KIEZEN.

Literatuur:
* Tomoko, Fujii, Tokyo, 1996
* Toshiaki Watanabe, Ygmagatu, 1997
* M.I, Yousef et al., Alexandrië, en Oslo, 1996
* H. Strohmer, Wenen, 1993
* J, de Cock et al, Wageningen 1994


== Zie ook ==


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

Transgene produkten komen op ieders bordje – Naar aanleiding van

== Aantekening ==

Naar aanleiding van “Transgene produkten komen op ieders bordje”

== Omschrijving ==

Nog uitzoeken waarop dit stuk een reactie is.

== Auteur(s) ==

  • Eijsten, Lily
  • Meulen van der, J (Han)

== Volledige tekst ==

AMSTERDAM, 1.1.98

Naar aanleiding van “Transgene produkten komen op ieders bordje”

Transgene organismen, genetisch “gemodificeerde” organismen: Wat speelt er nu?

Bij de introduktie van de nieuwe techniek om het erfelijk materiaal (de genen), dat tot dan alleen binnen de eigen soort uitgewisseld kon worden (door kruising) nu ook tussen de soorten uit te wisselen, werden ons gouden bergen beloofd.

We kregen een visioen van een luilekkerland waar de gebraden duiven (genetisch gemodificeerd om zichzelf te braden) ons in de mond zouden vliegen.

We zijn nu een aantal jaren verder en we kunnen eens zien wat de eerste prestaties zijn.

De eersteling was een tomaat, die nooit echt lekker rijp wordt, zodat hij makkelijker kan worden vervoerd en langer op de schappen kan blijven liggen.
Heel toepasselijk, kreeg deze de naam Flavor Saver. Het schijnt, dat niemand hem wil eten in afwachting tot hij echt rijp wordt.

De grote inspanning is echter besteed aan gewassen, welke resistent gemaakt werden tegen onkruidbestrijdingsmiddelen (de middelen glyfosaat en glufosinaat-ammonium). Natuurlijk omdat hier het grote geld ligt in de vorm van de verkoop van het middel (omzetten in de orde van 350 miljard dollar en winsten van 350 miljoen dollar bijv.). Er wordt dan ook wereldwijd op grote schaal geïnvesteerd in nieuwe fabrieken. Dit staat in schril contrast met de belachelijke bewering, dat er minder onkruidverdelger nodig zou zijn.

Deze inspanning heeft ons de beruchte soja van Monsanto (nu in 2020 Bayer, bijgewerkt) en de “supermais” van Ciba-Geigy (nu Novartis) geleverd, o.a.

Een heleboel mensen zijn hiermede niet erg gelukkig. De kranten staan er bol van. Dit ongenoegen vindt zijn grond in een aantal zaken, welke we eens op een rijtje zullen zetten.

Ten eerste de wijze, waarop de herbicide-resistentie werkt. Het glufosinaat-ammonium wordt omgezet in een produkt (metaboliet), hetwelk verder onveranderd in de plant blijft, en dat bij de vertering door mens en dier het glufosinaat weer terug vormt.

Het glyfosaat bindt zich aan een (altijd al aanwezig) enzym, dat nu onwerkzaam wordt, maar de plant is genetisch gemodificeerd en heeft een extra enzym gekregen, dat de uitgevallen taak van het onwerkzame enzym overneemt. Ook hier komt het gebonden glyfosaat bij vertering weer vrij.

Het komt er op neer, dat ongevoeligheid voor onkruidverdelgers leidt tot in verhouding buitensporig hoge residu-gehaltes.
Daarbij komt, dat zowel glyfosaat als glufosinaat onplezierige effecten blijken te hebben, welke eerst na jaren gebruik aan het licht kwamen. (aantasting sperma-kwaliteit, resp. hersenbeschadiging jonge zoogdieren, apoptosis).

Ten tweede zijn bij het uitvoeren van de genetische manipulatie in het laboratorium een paar ongelukkige keuzes gemaakt, waarvan we nu met de brokken zitten.
Er werden namelijk niet alleen de nieuwe genen met de gewenste eigenschappen ingebracht, maar nog andere voor herkennings-doeleinden en selectie (Merker- en reporter-genen).

Zo werd b.v. in de tomaat en in de mais een gen voor een antibioticum-resistentie gebracht, welke in het eindprodukt niet gebruikt worden, maar wèl aanwezig zijn. De blote massale aanwezigheid van dit gen is een TIJDBOM, welke de bruikbaarheid van het antibioticum wel eens zou kunnen opblazen.

Een andere eigenschap als antibioticum-resistentie was hier veel meer op zijn plaats geweest.

Ook is gebruik gemaakt van promotor en terminator van het bloemkool mozaïkvirus. Er zijn stemmen, welke zeggen dat het massale aanwezig zijn en beschikbaar zijn van deze promotor wel eens zou kunnen leiden tot virulentie-explosies bij andere virussen, welke nu met minder werkzame promotoren verder vegeteren.

Het ware wenselijk geweest, om uit de grootschalig op de markt gebrachte gewassen deze laboratorium-hulpjes te verwijderen.

De gebraden duiven zijn er nog niet, het is bij een onrijpe tomaat gebleven.

L.Eijsten en J. van der Meulen


Zie ook:


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

Bezwaarschrift tegen aanvraag markttoelating van genetisch gemodificeerde mais, Northrup_King

== Bezwaarschrift ==

== Auteur(s) ==

  • Eijsten, Lily
  • Meulen van der, J (Han)

== Volledige tekst van het bezwaarschrift ==

AMSTERDAM. 4 februari 1997

AANGETEKEND :

Aan de Minister van V.R.O.M., Directie Stoffen, Veiligheid, Straling, Afd.Stoffen, ipc 655, Directoraat Generaal Milieubeheer, T.a.v. Mr Drs P.J. van der Meer.
Postbus 30945, 2500 GX DEN HAAG.

Mijne Heren,

Betreft: dossier C/GB/96/M4-01., inzake aanvraag toestemming binnen EU genetisch .gemodificeerde  zaden van maisplanten op de markt te mogen brengen, t.w. resistent tegen GLA en tegen plaaginsecten.

De aanvraag werd ingediend door Northrup King Company Golden Valley, USA.

De mais uit de aanvrage lijkt heel veel op de mais van Novartis|Ciba  Geigy, waarover in het afgelopen jaar zoveel te doen is geweest.
Het knelpunt lag daar, menen wij, bij het ampicilline resistentie-gen. Bij deze aanvrage gaat het om een insectenwerende (Europese maisboorder) eigenschap en glufosinaat ammonium-resistentie.

Door de GLA-resistentie zullen zich STRAKS wanneer vergunning in de USA wordt verleend voor een bespuiting met GLA, in de mais grotere hoeveelheden residu (het herbicide en zijn metabolieten) ophopen. Voor de onderhavige mais geldt dit vooralsnog niet.

Wij nemen aan, dat bedoelde vergunning in de USA wel zal worden verleend. Dan zullen er problemen ontstaan, want deze residuen komen bij gebruik als veevoer terecht in melk en eieren en melkfabrieken zullen deze vreemde stof (ongeacht de werking) niet tolereren. Melkfabrieken willen handelen in melk, zonder vreemde stoffen. Dit betekent, dat er uitgebreid moet worden geëtiketteerd en geanaliseerd.

De op dit moment voor invoer aangeboden mais is niet met GLA volvelds bespoten en bevat dus geen of minimale hoeveelheid residu; echter zodra de volveldse bespuiting in Amerika zal zijn toegelaten, zullen we met de aanwezigheid van metabolieten rekening moeten houden.

Bij de huidige verlening moet dan geëist worden, dat de HOEVEELHEID RESIDU GENORMEERD WORDT.
Dat het product gemengd wordt aangevoerd lijkt ons bovendien ONJUIST EN ONAANVAARDBAAR. DE KWALITEIT VAN HET MENGSEL IS DE KWALITEIT VAN HET SLECHTSTE DEEL.

De werking van de residuen straks is overigens niet zo onschuldig. Jonge zoogdieren lopen blijvende hersenbeschadiging op bij ZEER KLEINE doseringen.

Bij het gebruik van deze mais als veevoer hebben we daarnaast te maken met de aanwezigheid van het gen-product. Juist in mais – in tegenstelling tot raapzaad en soja – vormt het Pat-gen rijkelijke hoeveelheden enzym (0,01% van de totale eiwitproductie). DE ONSCHULDIGHEID HIERVAN STAAT NIET VAST. Het geïsoleerde enzym wordt in de maag wel snel afgebroken, maar wat gebeurt er bij maagzuur-tekort bij zieken? Maar kan in brokjes ongekookt voedsel wel persisteren en in darm een aanslag doen op de glutaminenvoorraad door het te acetyleren. Lijders aan de ziekte van CROHN ZOuden dus niet op GMO-maiskolven mogen knabbelen!

Hoogachtend,

L Eijsten en J.van der Meulen.

== Zie ook ==


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

 

Herbicide glufosinate-ammonium, antwoord Europese Commissie

== Correspondentie  ==

Antwoord Europese commissie op een brief van L.Eijsten over glufosinaat|glufosinate-ammonium

 

== Auteur(s) ==

* Europese Commissie

== Volledige tekst ==

EUROPESE COMMISSIE, DIRECTORAAT-GENERAAL XI, MILIEUZAKEN, NUCLEAIRE VEILIGHEID EN BESCHERMING BURGERBEVOLKING

Industrie en Milieuzaken, Afdelingshoofd

Brussel, 29.04.96 /X1/ 007493

XI.E.2/AH/gvo/N25496NL

: Aan: Mevr. Lily Eijsten, Ceintuurbaan 266, NL – 1072 GJ Amsterdam.

 

Geachte Mevrouw Eijsten,

Hierbij onze dank voor uw brief gedateerd 3 maart 1996 betreffende de voorgenomen tests in Nederland met genetisch gemodificeerde maïs bestand tegen glufosinateammonium. Onze verontschuldigingen voor het late antwoord op u brief.

Wij waarderen uw interesse in volksgezondheid en milieuveiligheid en begrijpen uw zorgen betreffende de gevolgen van het gebruik van het herbicide glufosinate-ammonium.
Wij betreuren het ongemak dat u is overkomen en hebben kennis genomen van uw zorgen.

Echter, reeds in 1991 heeft de Europese Raad een Richtlijn uitgevaardigd betreffende het gebruik van herbiciden hetwelk lidstaten verplicht om een verregaande bescherming van volksgezondheid en milieu te verzekeren.

In het geval van het testen van genetisch gemodificeerde, glufosinate-ammonium bestendige maïs in combinatie met dit herbicide, zal de aanvrager van de test ook goedkeuring betreffende het gebruik van het herbicide moeten aanvragen.

Tijdens deze procedure zal de evaluatie van de voorwaarden van het gebruik (bijvoorbeeld het doel van het gebruik, de dosis, de frequentie) een belangrijk deel vormen van de risicoberekening voor potentiële ongunstige effecten van het herbicide op de volksgezondheid en het milieu.

Betreffende uw zorgen over het toenemend gebruik van herbiciden moeten wij opmerken dat het telen van genetisch gemodificeerde planten niet noodzakelijkerwijs zal leiden tot het gebruik van grotere hoeveelheden herbiciden. Het zou zelfs kunnen leiden tot een gebruik van herbiciden met een kleiner nadelig effect op volksgezondheid en milieu en
tevens tot een verminderd gebruik van herbiciden in totaal. Dit zal echter beoordeeld moeten worden per geval.

Nogmaals dank voor uw brief die uw interesse en zorgen op dit gebied weergeeft.

 

Hoogachtend,

G. Corcelle

== Zie ook ==


Archief TSS:  Bezwaarschriften en commentaren van Lily Eijsten.

 

Resultaat allergologisch onderzoek bij Eijsten, glufosinaat-ammonium

== Titel ==

Resultaat allergologisch onderzoek bij Eijsten, glufosinat-ammonium
Datum 22-10-1993

= Omschrijving ==

Resultaat van het allergologisch onderzoek uitgevoerd bij mevr. L. Eijsten. In dit onderzoek is niet aangetoond dat er sprake is van een allergie bij Eijsten voor glufosinat-ammonium

L. Eijsten refereert naar dit onderzoek in diverse kranten artikelen en in een brief aan minister Pronk. Om deze reden is dit document in dit archief opgenomen en openbaar gemaakt.

Mevr Eijsten was het totaal niet eens met de wijze waarop dit onderzoek verricht is, met name het gebruik van vaseline bij deze proef. Vaseline is hydrofoob en glufosinaat-ammonium is hydrofiel. Zie haar uitvoerig commentaar in een brief aan minister Pronk: Brief aan VROM, BGGO 99/05 Suikerbieten, van der Have, Advanta

== Auteur(s) ==

* Bruynzeel, F (arts ass)
* Gezien: Bruynzeel, D.P (huidarts)

== Volledige tekst ==

=== onderzoek 11-10-1993 ===

AFSCHRIFT Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit polikliniek dermatologie, de Boelelaan 1117 Postadres: Postbus 7057, 1007 MB Amsterdam

Aan:
Weledele Mevrouw, Eysten, Ceintuurbaan 266, 1072 GJ Amsterdam

Ons kenmerk: BBR/DPB/va Datum 22 oktober 1993

Onderwerp
A. Eysten, 2.805.817

Zeer geachte collega,

 

Op 11.10.1993 werd bij uw patiënte A. Eysten, geboren 20-11-1916, wonende Ceintuurbaan 266 te Amsterdam, allergologisch onderzoek verricht i.v.m. een in Augustus ’93 opgetreden jeukende, rode huiduitslag aan beide onderbenen, onderarmen en gelaat. Patiente was de dag voor het ontstaan in een park geweest waar naar haar zeggen het herbicide middel glufosinat-ammonium was gebruikt.

Plakproeven werden uitgevoerd met: routinereeks, verdunningen van het herbicide middel [[Finale]] SL 14.

Resultaat:

{|Border=0 Align=Left
!Resultaat
!48u
!72u
!D7
|-
| flagrance mix
| –
| +
| +
|-
|}

Conclusie: contact allergie voor geurstoffen. Anamnestisch heeft patiente hier echter geen klachten van. Een allergie voor glufosinat-ammonium Finale SL 14) werd niet aangetoond.

Advies: oppassen met geparfumeerde producten. Bij nieuwe klachten zien wij patiente graag op de polikliniek.

Gezien:
Prof.dr. D.P. Bruynzeel, huidarts Allergologie/Arbeidsdermatologie

Met collegiale hoogachting,
F Bruynzeel, arts-ass.

WS v Oyen 1078 PK Amsterdam origineel
A. Eijsten 1072 GJ Amsterdam kopie.

 

=== onderzoek 14-12-1993 ===

AFSCHRIFT Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit polikliniek dermatologie, de Boelelaan 1117 Postadres: Postbus 7057, 1007 MB Amsterdam

Aan:
Weledele Mevrouw, Eysten, Ceintuurbaan 266, 1072 GJ Amsterdam

Ons kenmerk: BBR/DPB/va Datum 23 december 1993

Onderwerp
A. Eysten, 2.805.817

 

Zeer geachte collega,

 

Op 14.12.1993 werd bij uw patiënte A. Eysten, geboren 20-11-1916, wonende Ceintuurbaan 266 te Amsterdam, aanvullend allergologisch onderzoek verricht i.v.m. een in Augustus ’93 opgetreden rode, jeukende huidafwijking op onderbenen, onderarmen en gelaat, na het verblijf in een park waar recent het herbicide middel Finale SL 14 was gebruikt.
Plakproeven werden uitgevoerd met: photopatch tests met Finale SL 14 0,1 tot 10% in vaseline.

Resultaat: negatief.

Conclusie: contact—allergie niet aangetoond.

Advies: hoewel patiente sterk aandringt op verder allergologisch onderzoek met dit middel, werd besloten het onderzoek te beeindigen, aangezien uiteindelijk het risico bestaat dat patiente gesensibiliseerd raakt door het testen met deze stof; in totaal zijn reeds 3 x tests met deze stof uitgevoerd. De concentratie van 10% is bovendien waarschijnlijk marginaal irritant.

 

Gezien:
Prof.dr. D.P. Bruynzeel, huidarts Allergologie/Arbeidsdermatologie

Met collegiale hoogachting,
F Bruynzeel, arts-ass.

WS v Oyen 1078 PK Amsterdam origineel
A. Eijsten 1072 GJ Amsterdam kopie.

—-
Bijlagen :
* routine reeks
* uitgevoerde reeks Finale SL 14 (in vaseline) 1%; 0,3%; 0,1%; 3%.

== Zie ook ==